De Geschiedenis van de Mijnbouwkundige Vereeniging
Het begin De oprichting vond plaats op 1 oktober 1892, waarbij als eerste Bestuur optraden; A.H. van Lessen, president, en E.A. Neeb, secretaris. Met welke feestelijkheden de oprichting gepaard ging, hoe het de nog prille Mijnbouwkundige Vereeniging verging is vrijwel onbekend. Wat was namelijk het geval? Op een bestuursvergadering in oktober 1897 vroeg de toenmalige secretaris om een nieuw notulenschrift te mogen aanschaffen, aangezien het oude de tand des tijds niet had doorstaan. We laten het daarom aan de verbeeldingskracht van de welbegrijpende lezers over zich voor te stellen hoe het de Mijnbouwkundige Vereeniging in de oertijd verging.
In de beginjaren waren de statuten in druk verkrijgbaar voor een bedrag van 25 cent. Artikel 1 hield in dat de Mijnbouwkundige Vereeniging zich ten doel stelde de belangen van de "beoefenaren der mijningenieurswetenschappen en van de studeerenden in het mijnvak te bevorderen". Het eerste bestuur bleef twee jaar aan, om het geheel goed op gang te brengen. Iedere student in de Mijnbouwkunde betaalde als contributie de som van één gulden, belangstellenden konden het Buitengewoon lidmaatschap aanvragen. Reeds in 1897 werd de contributie niet onaardig verhoogd, tot een bedrag van 5 gulden. De Buitengewoon leden moesten toen 2 gulden gaan betalen. Deze bedragen wijzen er op dat het studeren in de Mijnbouwkunde en het lid worden van de Mijnbouwkundig Vereeniging in die jaren niet was weggelegd voor minder draagkrachtigen. Op 13 december 1897 werd het Mijnbouwkundig Leesgezelschap opgericht dat ten doel had zoveel mogelijk technische tijdschriften te verzamelen en ter beschikking te stellen aan belangstellenden. Dit was geen overbodige luxe gezien het feit dat de verzameling mijnbouwkundige werken in de bibliotheek niet erg uitgebreid was en bovendien achterhaald. Het Leesgezelschap was maar een kort leven beschoren want reeds na twee vergaderingen werd op 18 oktober 1899 besloten het te laten opgaan in de Mijnbouwkundige Vereeniging. Deze diende dan wel een ruimte beschikbaar te stellen om belangstellenden de technische tijdschriften blijvend te kunnen laten inzien. Daartoe werd in 1899 artikel 2 van de statuten van de Mijnbouwkundige Vereeniging als volgt gewijzigd: “Zij (de MV) tracht dit doel te bereiken door het houden van vergaderingen en lezingen en door het laten circuleren van technische tijdschriften”. Mede in verband daarmee werd toen besloten het aantal bestuursleden uit te breiden tot vijf. En sindsdien is daar geen wijziging in gekomen. De bestuursleden werden op vergaderingen gekozen. Hierbij hadden de eerstejaars studenten geen stemrecht. Ten behoeve van de leesportefeuille werd op een acht-tal tijdschriften een abonnement genomen. De tijdschriften werden door één der personeelsleden van de Polytechnische School aangebracht, een taak die later door de bekende firma Waltman werd verzorgd. Aanvankelijk konden geïnteresseerden intekenen op een begeerd tijdschrift, later kon men in een apart leeszaaltje terecht. Toen Mijnbouw in 1912 over een eigen gebouw kon beschikken, kreeg men een nog groter vertrek. Het gehele leesportefeuillegebeuren heeft het, zoals verderop zal blijken ruim 20 jaar uitgehouden. Met het kleine gezelschap van 13 leden waarmee de Mijnhouwkundige Vereeniging begon was het niet al te moeilijk de praktisch opgedane kennis onder elkaar te verspreiden en ter discussie te stellen. Dit had vooral zijn nut, omdat er op dat moment nog geen hoogleraar was benoemd in de praktijk van de mijnbouw. Eemnmaal in de 14 dagen kwam men om 8 uur ’s avonds bijeen om zo kennis te nemen van het werk van de mijningenieur. Bovendien werd er met het eerder genoemde Technologisch Gezelschap geregeld lezingen georganiseerd. Niemand zal verbaasd zijn over de onthulling dat na afloop nog vaak de avond werd voortgezet met een gezellig samenzijn, waarbij sterke verhalen over de belevenissen van de studenten tijdens excursies en het studeren in Clausthal de ronde deden. Omdat er in Delft nog geen mogelijkheid bestond om af te studeren in de Mijnbouwkunde, deed men dat in het Duitse Clausthal en Freiberg. De relatie tussen de Delftenaren en de Clausthalers was goed, maar er is een incident voorgevallen dat niet onvermeld mag blijven. De Pruisische geest die onder de Duitse studenten heerste werd vaak op de korrel genomen door de Delftse afstudeerders. Hun correcte groet en hakken geklap werd door de Delftse student beantwoord met een simpele armzwaai. Dankzij een verkeerde opmerking van één van de Delftse studenten tegen een Clausthaler ontstond voor hem een hachelijke situatie. De student kreeg het visitekaartje overhandigd van de door hem beledigde persoon. Niet op de hoogte van de Pruisische gedragscodes, verscheurde hij het kaartje nonchalant. Hierop kwamen twee secondanten hem vragen naar de tijd, plaats en keuze van het wapen. Hij was namelijk naar Pruisisch gebruik uitgedaagd voor een duel op leven en dood. Om zijn eer te redden nam hij de handschoen op en het werd een duel met pistolen, op twintig pas afstand, bij zonsopgang even buiten de stad. Toen het nieuws de andere Delftse studenten bereikte, probeerden deze de hele affaire nog te voorkomen. Dankzij hun slechte conditie kwamen zij net op tijd om getuige te zijn van de schotenwisseling. Geen enkele kogel trof doel, maar aan de eer was voldaan. Laat dit een wijze les zijn voor de toekomstige student; een grote mond is geen manier om je uit de problemen te redden.
Tijdens de lezing bijeenkomsten werd geregeld op belangrijke personen een "salamander" gedronken. Dit was naar voorbeeld van het Delftse Studenten Corps, een gewoonte die zijn oorsprong had in het feit dat de meeste studenten lid waren van het Corps. Natuurlijk werd er ook bier gedronken, ieder uit zijn eigen kan. Het doet stellig niet vreemd aan te vernemen dat eind november de jaarlijkse viering van Santa Barbara plaats vond. In de latere jaren verwaterden deze gebruiken, mede doordat vaak niet-studenten lezingen hielden en eigen studenten steeds minder. In 1911 werd de gewoonte van het voortzetten van de avond weer opgepakt om “onder gezelligen kout en vroolijke liederenen voordrachten den band tusschen de leden in het algemeen en die tusschen de oudere-en jongerejaars in het bijzonder te versterken”. Dit was met het stijgend aantal studenten geen overbodige luxe. Als lokmiddel voor de jongerejaars trachtte men de lezingen niet te moeilijk te maken. Enige tijd later ontstond er de gewoonte om na afloop van de lezingen een souper te gebruiken, maar gedurende de Eerste Wereldoorlog kon dit gebruik geen stand houden. In 1920 werd het oude gebruik van een biertje na afloop van de lezingen weer hersteld, een gebruik dat het nu nog steeds volhoudt. Financieel ging het de Mijnbouwkundige Vereeniging in die jaren voor de wind. Er was slechts een kleine contributieverhoging nodig om volgende jaarboeken het licht te kunnen laten zien en ook nog naar de gegadigden te kunnen verzenden. Dat er in het eerste jaarboek nog niets te lezen viel over excursies was geen wonder. Een jaar na de uitreiking ervan, in 1904, vond de eerste excursie plaats.
Men zocht het al direct in het buitenland, voorlopig nog het nabije buitenland waar plaatsen als Angleur, Moresnet en Bleyberg werden bezocht. Slechts derdejaars en ouder mochten er aan deelnemen, de Mijnbouwkundige Vereeniging beperkte zich tot de huishoudkundige organisatie. In het jaar daarop volgden excursies naar Stolberg, Diepenlichen en Bensberg, respectievelijk naar Gronau en Bentheim. Aan de opzet van de excursies werd in de loop der jaren niet veel veranderd, behalve dan in de omvang. Later volgde er een tiendaagse excursie naar de Eiffel en het Zevengebergte. Het succes van deze jaarlijks terugkerende evenementen was groot, de overweldigende belangstelling ervoor werd wellicht mede veroorzaakt door het feit dat er naast het wetenschappelijke gedeelte flink wat ruimte voor gezelligheid overbleef. Naast het veelvuldig samen zingen van allerlei liederen en gebruiken van drank behoorde daartoe ook het zwemmen. Dit is de reden waarom men meestal een locatie koos met een beek of een meertje in de buurt. Met de plaatselijke bevolking werd in die tijd een goed contact onderhouden, vooral op de dansvloer in bepaalde gelegenheden. In 1910 werd op verzoek ook een eerstejaars excursie gehouden naar Lünburg, Moresnet en Flone. Ruim een halve eeuw later zou een dergelijke excursie regel worden, iets waarop menige andere studievereniging jaloers was. Een bijkomend doel van deze excursies was de nieuwe studenten vertrouwt te maken met de specifieke mijnbouwgewoonten, hetgeen de eenheid onder hen zeer ten goede deed komen. Het gezamenlijk drinken van een stiefel alvorens af te dalen in de mijn droeg daartoe ongetwijfeld hetzijne aan bij.
Donkere dagen voor de Vereeniging
Men deed grote moeite om met goede en interessante lezingen van mensen met veel praktijkervaring de jongerejaars, die meer dachten aan een snelle studie dan aan een gezellige studententijd, weer te bewegen om lid te worden. Verder werd er op initiatief van prof. Grutterink een wervende brochure samengesteld die hij deed toekomen aan alle eindexamenkandidaten in het gehele land. Eén en ander bleek effect te hebben; in 1910 meldden zich 25 nieuwe leden aan, in 1912 telde de Mijnbouwkundige Vereeniging alweer 66 gewone leden en 69 Buitengewone leden. Via een viermanschap ging het Bestuur tenslotte weer bestaan uit 5 leden. Dat de Mijnbouwkundige Vereeniging in het inmiddels geopende nieuwe gebouw voor Mijnbouwkunde een eigen kamer kreeg had natuurlijk ook zijn positieve doorwerking. Er was echter geen reden om te vroeg te juichen want door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef men verstoken van de voor de Mijnbouwkundige Vereeniging zo belangrijke contributies van de veelal in het buitenland wonende Buitengewone leden. De door de oorlog veroorzaakte prijsstijgingen maakte het noodzakelijk de contributie te verhogen tot 6 gulden. De Mijnbouwkundige Vereeniging zou de Mijnbouwkundige Vereeniging niet zijn als men er niet in zou slagen om desalniettemin het 25-jarige bestaan in 1917 op passende wijze te vieren. Natuurlijk kon dat in die dagen niet met een excursie naar het buitenland, maar in plaats daarvan maakte men een uitstapje naar de Haagse gasfabriek. Daarna was er een receptie en een diner voor de reünisten in, alweer in Den Haag, het hotel “De Twee Steden”. Uit eigen middelen hadden de leden geld bijeen gebracht om na de feestlezing het Bestuur insignes aan te bieden. Na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog ontstonden er problemen bij de mijnen in Zuid-Limburg. Hier waren gedurende de oorlog veel geïnterneerde Belgische mijnwerkers te werk gesteld die toen echter weer naar huis terugkeerden. Een tekort aan kolen dreigde door de teruglopende produktie, te meer daar men geen beroep kon doen op de door de oorlog uitgeputte omringende landen. Toen bedacht men dat dit een unieke kans zou zijn voor de mijnbouwstudenten om hun opgedane kennis in de praktijk te brengen door tijdelijk als opzichter in de kolenmijnen te werken. Met de hoogleraren werd geregeld dat men geen schade in zijn studiebeloop zou ondervinden door het niet kunnen deelnemen aan tentamens tijdens het verblijf in Zuid-Limburg. Alles was geregeld aan de Delftse kant, maar al spoedig bleek bij gesprekken tussen de mijndirectie en de Mijnbouwkundige Vereeniging dat men eigenlijk meer behoefte had aan ervaren houwers dan aan opzichters...
In 1918 was de Mijnbouwkundige Vereeniging verhuisd naar een nog wat groter vertrek, dat ook wel koffiekamer werd genoemd. Dit ondanks het feit dat er geen koffie te krijgen was (in het hele gebouw voor Mijnbouwkunde trouwens niet). Daarin kwam verandering toen de docent Bliek aan L.J. van der Valk opdracht gaf om voor de gehele Afdeling thee, weldra gevolgd door de nieuwe opdracht voor koffie, te verzorgen. Zo werd Valk een belangrijke ontmoetingsplaats voor de studenten, die hier in hun vrije tijd ook nog een kaartje konden leggen. Na het instellen van een officiële kantine werd op aandringen van prof. J.E. de Graaf het bedrijf Valk in stand gehouden met een eigen ruimte, die hij heeft gebruikt tot aan zijn pensioen. Gezien de financiële middelen heeft de Mijnbouwkundige Vereeniging haar zesde lustrum wel gevierd, maar niet op een al te uitbundige wijze. Juist in die jaren kreeg de vereniging meer financiële armslag, enerzijds doordat de achterstallige contributies van de in het buitenland wonende Buitengewone leden konden worden geïnd, anderzijds door een grotere toeloop van studenten naar de T.H. en dus ook naar Mijnbouw. Voorshands daalde daardoor de gemiddelde leeftijd van de leden van de Mijnbouwkundige Vereeniging. In deze jaren werden ook studiehervormingen doorgevoerd, waaronder een poging tot bekorting van de studieduur. De studieprogramma"s moesten doelmatiger worden ingericht en het programma van de latere jaren moest meer gericht worden op de afstudeerrichting. Voor Mijnbouwkunde werd echter een uitzondering gemaakt, aangezien het werk in bepaalde ver weg gelegen delen van de wereld een bepaalde veelzijdigheid vroeg en verwacht werd dat men ook buiten zijn specialistische afstudeerwerk in staat was tot handelen in andere onderdelen van de Mijnbouwkunde.
Bij deze hervormingen deed ook de Mijnbouwkundige Vereeniging van zich spreken: men diende een verzoek in om bij de benoeming van nieuwe hoogleraren in de Mijnkunde en de Ertskunde te letten op het feit of men naast diepgaande kennis ook over voldoende praktijkervaring beschikt. Bovendien diende de nieuwe docenten in staat te zijn hun kennis duidelijk te kunnen overdragen aan de studenten. Aan het begin van het cursusjaar 1925-1926 was er nog steeds geen respons. Hierop stuurde de Mijnbouwkundige Vereeniging een verzoek naar de Minister. Kort daarna konden door tussenkomst van de Mijnbouwkundige Vereeniging de hoogleraren ir. C.L. van Nes en ir. H.F. Grondijs benoemd worden. Eén en ander had tot gevolg dat, mede in overleg met de Mijnbouwkundige Vereeniging, het studieprogramma inhoudelijk flink werd gemoderniseerd. Tevens werd het laboratorium voor metallurgie uitgebreid en werd er door prof. Grondijs begonnen met de aanleg van een ertswasserij. Deze werd in 1927 in gebruik genomen en zou later worden vernoemd naar zijn oprichter: het Grondijs-laboratorium. Het lustrum van 1927 had voor de Mijnbouwkundige Vereeniging als financiële consequentie dat na 1926 pas in 1929 weer een jaarboek kon worden uitgegeven. Men had daardoor veel in te halen, het gevolg was dat het komende jaarboek maar liefst 640 bladzijden telde, een sindsdien ongeëvenaard record. Geleerd door het voorgaande trachtte men sindsdien de jaarboeken jaarlijks te doen verschijnen, ze konden dan meteen dunner worden. Om de band tussen de studenten en de afgestudeerden te vergroten poogde men de leden in den vreemde te bewegen tot het insturen van voor de Mijnbouw interessante artikelen. De Mijnbouwkundige Vereeniging besefte evenzeer het belang van het aanhalen van de band tussen studenten en hoogleraren. Daarbij gaf men extra veel aandacht aan mutaties in het hooglerarencorps, zo bijvoorbeeld bij het aftreden van de hoogleraren Molengraaff en Brouwer en het aantreden van prof.dr.ir. J.A.A. Mekel en prof.dr. J.H.F. Umbgrove. Hun veelvuldig advies aan de Mijnbouwkundige Vereeniging is de vereniging zeer ten goede gekomen. Toen in de jaren dertig het aantal studenten aan de afdeling snel toenam en ook het studieprogramma weer werd uitgebreid had dit, juist door toedoen van de Mijnbouwkundige Vereeniging, niet het gevolg van vervreemding van de studenten en docenten, een verschijnsel wat zich helaas wel bij menig andere Afdeling wel voordeed. Ook in de Centrale Commissie van Studiebelangen speelde de Mijnbouwkundige Vereeniging een belangrijke rol.
Een heel andere activiteit voltrok zich in een klein cafeetje aan het Noordeinde, waar sinds 1931 de eigenaar Jan Garos een goedkope edoch voedzame maaltijd verzorgde voor studenten die ten gevolge van de crisis in financiële problemen dreigden te komen. Crisis of geen crisis, in 1932 werd het lustrum van de Mijnbouwkundige Vereeniging op gebruikelijke wijze gevierd met recepties, lezingen en een feestmaaltijd. De belangstelling voor de lezingen was wel heel wat minder dan die voor de andere evenementen. Trouwens, dat was ook meer en meer het geval bij de normale lezingen en wel het duidelijkst bij de jongerejaars. Dat lag stellig niet aan de inhoud van de lezingen: behalve over technische aspecten gingen die vaak over de avonturen die de mijnbouwer in verre landen beleefde of over onderwerpen van meer beschouwelijke aard. Zo hield prof.dr. H.J.J. Jordan in 1933 een lezing over “Het wezen van het leven, gezien in het licht van de evolutie.” Zou zo een onderwerp nu nog voldoende luisteraars weten te trekken? Toen lukte het wel, mede doordat er annex de lezingen meer plaats werd gemaakt voor gezelligheid. En zoiets komt uiteraard het verenigingsleven ten goede. In 1933 deden zich nieuwe problemen voor, vooral niet betrekking tot het gebeuren op de Afdeling. Een in dat jaar door de Mijnbouwkundige Vereeniging ingestelde commissie die een onderzoek moest instellen tot verbetering van de studieregelingen werd nog in dat zelfde jaar alweer opgeheven. Men had onderkend dat zo een commissie geen zin had zolang de docenten niet zouden meewerken. Uiteindelijk werd wel een mager resultaat bereikt, maar wezenlijke verbeteringen bleven in die dagen uit. Mede door de al eerder genoemde crisis bleven in 1934 en 1936 de jaarboeken uit, maar de schade wist men in te halen met het negende lustrum in 1937. Als belangrijk onderdeel van de viering had men het gebouw voor Mijnbouwkunde omgetoverd in een drie verdiepingen tellende kolenmijn. Bij de ingang werden de noeste gelegenheidsmijnwerkers op penningen gecontroleerd. Uiteraard kregen zij ook een mijnlamp uitgereikt. Het was voor de eerste keer dat het café “Het Noorden” in de feestviering werd betrokken; men kon hier terecht van 5 uur des morgens tot diep in de nacht. Het drie dagen durende feest werd afgesloten met een groot diner in “Bagatelle” in Den Haag. Men kon zich er toen niet van bewust zijn dat de viering van het volgende lustrum niet mogelijk zou zijn. De vereniging tijdens de Tweede Wereldoorlog
In feite gaat het om drie belangrijke gebeurtenissen: het ontslag van de joodse hoogleraren in november 1940, de razzias op studenten in 1943 en de beruchte loyaliteitsverklaring ook in 1943. Het ontslag van de joodse hoogleraren leidde in Delft en in Leiden tot protesten, in Delft van de zijde van de studenten, in Leiden van die van de hoogleraren. Bekende namen zijn daarbij Frans van Hasselt en Willem Pahud de Mortanges. Na diens gevangenneming door de bezetter werd zijn rol overgenomen door de mijnbouwstudent Ruud von Nordheim, die zowel in Delft als landelijk een groot aandeel had in het studentenverzet. De acties in november 1940 leidden tot een tijdelijke sluiting van de T.H. De gezelligheidsverenigingen namen het initiatief om zich op te heffen, toen het bekend werd dat het voor joden verboden was om nog langer lid te zijn van een niet-commerciële vereniging. Het gevolg was dat een café als dat van Jan Garos min of meer de rol van ontmoetingscentrum overnam. De Senaat van het Delftsch Studenten Corps installeerde de Commissie van Acht om het onderlinge contact tussen de studenten na de opheffing voort te zetten. Landelijk ontstond er de Raad van Negen. In beide gevallen speelde de mijnbouwer Von Nordheim een zeer belangrijke rol. Ook de Mijnbouwkundige Vereeniging hief zich op, in het begin van 1941. De leden had men opgeroepen om voor het lidmaatschap te bedanken. De Mijnbouwkundige Vereeniging bestond nu nog slechts uit vijf bestuursleden die het noodzakelijke werk voortzetten en daartoe in de Afdeling een Contactcommissie in het leven riepen. Uiterlijk leek het alsof men het oude leven voortzette. De viering van het tiende lustrum in november 1942 werd op het laatste moment afgelast, mede vanwege geruchten over dreigende deportatie van studenten. Heel wat mijnbouwstudenten verlieten Delft om in de Limburgse mijnen te gaan werken en zodoende uit handen van de Duitsers te blijven. Anderzijds oogstte dat kritiek omdat men hiermee de Duitse oorlogsindustrie indirect steunde. Een aanslag op de Duitse generaal H.A. Seifardt in februari 1943 die op zijn sterfbed zou hebben gemompeld dat daarbij studenten in het spel waren leidde alom in den lande tot razzias op studenten. De daarop volgende verwikkelingen culmineerden in de eis van de bezetter tot het tekenen van een loyaliteitsverklaring door de studenten. Men mocht pas verder studeren als men had getekend en dat hield in dat men zich niet in zou laten met acties gericht tegen de bezetter en de regering. Deed men dit niet dan was men in feite vogelvrij. Voor veel studenten was in deze moeilijke dagen prof. Grondijs een toegewijd raadsman. Het percentage tekenaars van de loyaliteitsverklaring onder de mijnbouwstudenten was van alle afdelingen van de T.H. verreweg het geringste. Al dan niet vanuit “Het Noorden”, waar later heel wat studenten dankzij de hulp van Jan Garos konden onderduiken (ondermeer in de gewelven waar nu de entourage van een kolenmijn wordt opgeroepen), verrichtten Delftse studenten, en met name mijnbouw studenten veel illegaal werk. Helaas vielen daarbij ook slachtoffers, van de Afdeling der Mijnbouwkunde percentueel gezien de meeste. Het stimulerende voorbeeld van prof. Mekel, die al in 1942 door de Duitsers was gefusilleerd, heeft daartoe ongetwijfeld het zijne bijgedragen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de “zuiveringen” die de Technisch Hogeschool na de bevrijding onderging, de Afdeling der Mijnbouwkunde de eerste was die weer aan het werk mocht gaan.
De ouderejaars mochten dit programma volgen mits zij tevens een aanstelling bij één of andere maatschappij hadden verkregen. De taken van de Mijnbouwkundige Vereeniging werden steeds uitgebreider. Dankzij de Centrale Commissie werden de contacten met de andere studieverenigingen nader aangehaald. Door de Centrale Commissie werd in de zomermaanden een financiële reorganisatie voorgesteld waarbij de contributie voor de studievereffigingen en ook een verplichte bijdrage voor een studentenblad centraal zouden worden geregeld. Natuurlijk gaf de Mijnbouwkundige Vereeniging daaraan haar goedkeuring. Voorts besloot men dat de verkiezingen van bestuursleden van de Mijnbouwkundige Vereeniging weer op de oude manier zou plaats vinden. Op 3 mei 1947 werd in het kader van de nationale herdenking van de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog met een toespraak van de toenmalige president der Mijnbouwkundige Vereeniging, de student P.J. Muyskens, de onthulling van het gedenkraam in het gebouw van Mijnbouwkunde ingeluid. In dit gebrandschilderde raam waren de namen van diegenen van de afdelingsgemeenschap aangebracht die in de oorlog waren omgekomen. Tijdens de toespraak die werd bijgewoond door familieleden van de slachtoffers en vele verdere belangstellenden wees de president er op dat het verwezenlijken van datgene waar de slachtoffers voor waren gevallen een doel voor ons allen dient te zijn. De gevallenen zullen op hun eigen wijze in de gedachten van de aanwezigen blijven voortleven. Hierna wees prof. Grutterink in zijn toespraak op het door de bezetter in de Nederlanden geleden leed in ons land dat gedurende een periode van meer dan een eeuw geen oorlog had gekend. Vervolgens aanvaarde de secretaris van de Technische Hogeschool, dr.mr.dr.ir. A.R. Veldman, namens het college van curatoren dit gedenkteken. De bijeenkomst werd besloten met een plechtig Wilhelmus. Inmiddels hernam het normale leven steeds meer zijn gang. De Mijnbouwkundige Vereeniging was druk in de weer om op de gebruikelijke manier weer een waardig jaarboek te laten verschijnen. Daarin kon de sluiting van de T.H. gedurende twee wintermaanden op grond van kolengebrek geen verandering in brengen. Wat wel een probleem bleek te zijn was het feit dat men door die sluiting een aantal leden moeilijk kon bereiken; zo een periode beinvloedt natuurlijk ook het bezoek aan lezingen en aan café “Het Noorden” ongunstig. Het jaar 1947 kon van nog meer activiteiten van de Mijnbouwkundige Vereeniging getuigen. Voor het NGMSO-congres werd een reglement opgesteld en verder werden er plannen doorgesproken voor het organiseren van een internationaal congres, ook nog in 1947. Dit congres werd een groot succes, het droeg tevens bij tot het leggen van goede internationale contacten met buitenlandse mijnbouwkundige en geologische verenigingen. Eén en ander leidde er toe dat men kon overgaan tot de oprichting van het IFSGM, een overkoepelende organisatie ter behartiging van de belangen van mijnbouwkundige en geologische verenigingen. In het jaar 1949 bereikte een der Buitengewone leden van de Mijnbouwkundige Vereeniging, prof.ir. C.L. van Nes, zijn pensioengerechtigde leeftijd. Als dank voor het zeer vele dat hij voor de vereniging had gedaan, werd hem het Gouden Erelidmaatschap uitgereikt, een onderscheiding die hem bij de receptie na afloop van zijn afscheidscollege te samen met andere geschenken, zoals een fototoestel, werd aangeboden. Wat zou er van de Mijnbouwkundige Vereeniging terechtkomen zonder “Het Noorden”? Weliswaar was een aantal jongerejaars deze plek voornamelijk als een eetetablissement gaan beschouwen, het merendeel van de leden begreep dat “Het Noorden” meer functies had en toonde dat zeer geregeld. Achteraf kan men nu stellen dat de ongerustheid onnodig was, dat men “Het Noorden” op zijn merites bleef beoordelen. De drijvende motor, Jan Garos, kende men toen zeer terecht het Gouden Erelidmaatschap toe. Ondertussen was men al weer druk in de weer met de voorbereiding van het dertiende lustrum. De uitslag van de intergeologische en mijnbouwkundige voetbalwedstrijd was door de grote overwinning die Delft toen boekte hoopgevend voor verdere successen. Geheel in rijm met dit resultaat was het hoogste woord dat Delft zich aanmatigde bij congressen. Een excursie naar Limburg kon door de daar heersende malaise niet plaats vinden, maar men wist zich zeer goed te behelpen door na enig speurwerk een mogelijkheid te vinden om naar het nabije buitenland te gaan: kolenmijnen in België en Frankrijk werden bezocht, maar de daar heersende gedragscodes waren zeker niet die van de Delftenaren. Daar werd dus bij een volgende gelegenheid rekening mee gehouden.
Het in werking treden van de eerder genoemde nieuwe bestuurslichamen door de WUB voltrok zich in het cursusjaar 1970-1971, waarbij de door de Mijnbouwkundige Vereeniging voorgestelde leden in die lichamen de taak overnamen die voordien werd vervuld door de vertegenwoordiger van de studenten. Het werd meer en meer toebedeeld aan de studieverenigingen om de studenten in de raden te steunen dan wel te begeleiden. De verenigingen legden zich wat hun eigen activiteiten betrof meer toe op het organiseren van lezingen, excursies en discussie avonden. In tegenstelling tot vroeger maakten een aantal studieverenigingen, waaronder de Mijnbouwkundige Vereeniging, zich los van de naar hun oordeel al te verpolitiekte VSSD.
|